Schil · Vocht
Inwendige condensatie
Een constructie wordt vanbinnen nat zodra er op een punt meer damp aankomt dan de lucht bij die temperatuur kan vasthouden. Er lopen twee lijnen door de opbouw: hoe koud het er wordt, wat de maximale dampdruk bepaalt die de lucht kan dragen, en hoeveel damp er werkelijk aankomt, wat afhangt van hoe makkelijk elke laag hem doorlaat. Overal waar de tweede lijn boven de eerste uitkomt vormt zich water — meestal op het koude vlak van de isolatie, en meestal daar waar niemand het de eerste tien jaar ziet.
Hoe de methode van Glaser werkt
Drie keer door de constructie heen, en elke stap is op zichzelf eenvoudig.
Wat de rekensom je leert, en het is niet vanzelfsprekend: de temperatuur wordt verdeeld over de ene eigenschap en de damp over een heel andere. Isolatie heeft een enorme warmteweerstand en vrijwel geen dampweerstand — minerale wol heeft µ = 1, net als lucht. De temperatuur zakt dus volledig weg over de isolatie, terwijl de damp er dwars doorheen loopt, aan de koude zijde nog bijna zijn volle druk meebrengt, en daar een verzadigingsgrens tegenkomt die door de bodem is gezakt. Daarom zit het klassieke faalpunt op het buitenvlak van de isolatie, en daarom hoort de dampremmende laag aan de warme zijde en niet aan de koude.
Typische waarden
| Materiaal | λ W/(m·K) | µ |
|---|---|---|
| Minerale wol | 0,037 | 1 |
| Houtvezelplaat | 0,040 | 4 |
| EPS | 0,038 | 40 |
| PIR-plaat | 0,022 | 60 |
| XPS | 0,034 | 150 |
| Gipsplaat | 0,21 | 8 |
| Cellenbeton | 0,18 | 8 |
| Gebakken baksteen | 0,77 | 12 |
| Cementpleister | 0,90 | 25 |
| Naaldhout | 0,13 | 40 |
| Zwaar beton | 1,75 | 100 |
| Dampremmende laag | — | sd 2 – 100 m |
| Dampopen folie | — | sd 0.02 – 0.3 m |
Folies worden rechtstreeks met hun sd opgegeven en niet met µ, dus deze pagina neemt dat getal over zoals het op het productblad staat.
Uitgewerkt voorbeeld om zelf na te rekenen
De wand waarmee deze pagina opent, bij 20 °C / 60 % binnen en 0 °C / 90 % buiten.
Leg er vervolgens een dampremmende laag met sd = 20 m aan de warme zijde van de isolatie in en reken opnieuw: de dampdruk op datzelfde punt zakt naar ongeveer 611 Pa, onder de 661 die hij moet blijven, en de wand is droog. Eén folie, op de juiste plek.
Wat deze pagina niet doet
- Eén set omstandigheden, geen twaalf. De volledige NEN-EN-ISO 13788 rekent elke maand van het jaar door en controleert of wat in de winter condenseert er in de zomer weer uit droogt. Een constructie mag in januari condenseren en toch volledig in orde zijn. Deze pagina is de eerste zeef, niet het oordeel.
- Stationair, en damp alleen door diffusie. Glaser negeert luchtlekkage, die in de praktijk veel meer vocht een wand in brengt dan diffusie ooit doet, en negeert regen, bouwvocht en capillaire werking.
- Geen vochtbuffering. Echte materialen nemen water op en geven het weer af; Glaser doet alsof dat niet gebeurt. Hygroscopische opbouwen — hout, houtvezel, kalk — presteren in werkelijkheid veel beter dan deze methode suggereert.
- Geen koudebruggen. Condensatie laat zich het eerst zien bij aansluitingen en rond bevestigingen, en dat is oppervlaktecondensatie en een andere berekening.
- Alleen vlakke opbouwen. Geen geventileerde spouwen, geen stijlen, geen doorvoeren.